De ontsluiting van het platteland voor de auto in de tweede helft van de 20e eeuw ging gepaard met het ontstaan van garagebedrijven. Een takelwagen was daarbij voor het sleep- en bergingswerk onontbeerlijk. Foto: Kees Wielemaker

Het platteland: ontsluiting en welvaart

Een belangrijk kenmerk van de ontwikkeling van ons 'moderne Nederland' is de 'transportrevolutie' en daarmee de systematische ontsluiting van elk deel van ons land en de verbinding van alle gebieden en alle bewoningskernen met elkaar.
Dat begon met de aanleg van hoofdspoorwegen en werd verder vormgegeven door een fijnmazig net van lokaalspoor- en tramwegen en bootdiensten. Deze maakten vanaf de jaren 1930 plaats voor autobus en vrachtwagen, die flexibeler waren dan rail- en watergebonden vervoermiddelen en met name grote delen van het dun bevolkte platteland verder ontsloten.

Dat vooral het platteland belang had bij een goede ontsluiting en dat de invloed van de verbeterde mobiliteit hier groot was, ligt voor de hand. Al vroeg in de 20e eeuw had de ANWB er op gewezen dat de auto niet alleen een 'speeltje voor de rijken' moest zijn,maar ook functioneel gebruikt moest kunnen worden. Hoewel de meeste artsen zich aanvankelijk geen auto konden permitteren, vond de ANWB in deze gebruikersgroep een aantrekkelijk startpunt om de ontwikkeling van automobilisme voor nuttig gebruik te bepleiten. Een dokter die niet op tijd bij z'n patiënt was, sprak natuurlijk iedereen wel aan.

Het vervoersprobleem op het platteland schreeuwde juist voor dergelijke beroepsgroepen om een oplossing, die de tram en de bus niet konden bieden. Toen de artsen zich begonnen te motoriseren was het deze beroepsgroep, waar naar werd verwezen als de overheid werd gevraagd maatregelen te nemen om aan de toenemende behoefte aan mobiliteit tegemoet te komen.

Ook de beroepsgroep van agrariërs en andere ondernemers zagen het nut van de auto wel in en deze groep heeft zeker in belangrijke mate bijgedragen aan de naoorlogse mobiliteitsexplosie op het platteland. Net als de arts en andere zakelijke rijders zal ook de agrariër op den duur het nuttige wel met het aangename hebben gecombineerd en af en toe z'n auto hebben gebruikt voor vrije tijd en recreatie. Niet zelden kwamen deze functies van de auto letterlijk samen in een combi of stationcar.

En natuurlijk hebben, naast de personenauto, vooral de tractor en de vrachtauto bijgedragen aan de mobilisering van het platteland. Met name na de Tweede Wereldoorlog hadden ruil- en herverkaveling grote invloed op de agrarische productie. In natte gebieden werden door de aanleg van wegen veel 'vaarpolders' veranderd in 'rijpolders'. Op de hogere gronden werden bochtige zandpaden rechtgetrokken en verhard.

Het platteland werd steeds beter bereikbaar en daardoor kon de agrarische productie worden verhoogd, wat weer een positieve invloed had op de verdere ontwikkeling van de industrie- en dienstensector, op de export en daarmee op de welvaart. Nederland was en is een belangrijke producent en exporteur van landbouwproducten; momenteel na de Verenigde Staten zelfs de grootste exporteur ter wereld.

Auto's moeten onderhouden worden en zo verrezen ook op het platteland garagebedrijven. Ze ontwikkelden zich vaak vanuit lokale smederijen waar het ambachtelijke smidswerk plaatsmaakte voor het repareren van landbouwmachines en auto's. Maar ook een boerderij kon prima omgetoverd worden tot een garagebedrijf. Een benzinepomp voor de deur en de verkoop van olie en onderdelen zorgden nog voor extra inkomsten.

Zo leidde de ontsluiting van het platteland aldaar niet alleen tot meer welvaart maar ook tot nieuwe vormen van economische activiteit.